| Terug in de geschiedenis |
Daarvoor moeten we zo’n vierhonderd jaar teruggaan in onze vaderlandse geschiedenis, naar het gewest Holland, vanaf de 17de eeuw één van de meest verstedelijkte gebieden van Europa. Haar zes 'grote steden': Amsterdam, Haarlem, Leiden, Delft, Rotterdam, Dordrecht én Den Haag (formeel geen stad) kenden een goed ontwikkelde muziekcultuur: een organisten-stand, speellieden, vrije musici, muziekcolleges, toneel- en operavoorstellingen, muziekdrukkers, muziekuitgevers, muziekverkopers en instrumentenbouwers.Het muziekleven in de kleinere steden in Holland en de nog niet genoemde middelgrote steden in de overige gewesten was meestal beperkter, zonder daarmee meteen onbetekenend te zijn. Daar had men ook organisten en stadsmuziekcolleges, maar de andere sectoren waren doorgaans schaarser bezet. We hebben het dan over plaatsen als Alkmaar, Hoorn, Enkhuizen, Zierikzee, Arnhem, Nijmegen en Zutphen , Franeker, Leeuwarden en Groningen.. De zeventiende eeuw In de zeventiende eeuw was de stad een belangrijke werkgever voor verschillende soorten muzikale werknemers. Een bewaard gebleven ambtenboek van de stad Amsterdam over de jaren 1664-1667 bijvoor- beeld vermeldt de volgende vier categorieën van stedelijke musici in vaste dienst: organisten, beiaardiers, speellieden en trompetters. De stad had niet alleen deze musici in dienst, maar was doorgaans ook eigenaar van de instrumenten die zij bespeelden, zowel van de vast geplaatste ('onroerende') orgels en beiaarden als van de meeneembare ('roerende') instrumenten van speellieden en trompetters.De belangrijkste stedelijke musici waren ongetwijfeld de organisten van de hervormde kerken, die zich niet zonder trots 'organist der stad' noemden, en niet gewoon 'organist van de kerk.' Amsterdam telde vier van zulke stedelijke organistenposities, Leiden drie, Rotterdam één. Indien er meerdere kerken met organisten onder supervisie van de stad stonden, was één daarvan de belangrijkste, de zogenaamde hoofdkerk. In Amsterdam bijvoorbeeld speelde de Oude Kerk die rol, in Haarlem de Grote Kerk aan de Markt en in Rotterdam de Grote of Sint Laurenskerk. De hoofdkerk De organist van de hoofdkerk werd beschouwd als de belangrijkste musicus van de stad in kwestie. Hij was dikwijls als adviseur betrokken bij het stedelijk muziekcollege en werkzaam als muziekleraar van de meest notabele amateurmusici in de stad. Overige groepen van musici die in stadsrekeningen uit de tijd van de Republiek opduiken werden gevormd door de beiaardiers en speel- lieden .Dubbelaanstellingen als organist én beiaardier kwamen ook voor. Een situatie die we nu nog kennen in Rotterdam. Dat de organisten van de hervormde kerken in de Republiek in dienst van de steden waren is vooral een gevolg van de Reformatie. Vóór de Reformatie werden de organisten en de andere kerkmusici betaald door de zogenaamde Kerkfabriek, het instituut dat verant woordelijk was voor de verzorging van het materiële in de kerk. Reformatie Bij de Reformatie werden de kerkelijke goederen, inclusief de kerk- gebouwen en de orgels daarin, in bezit gegeven van de desbetref- fende stad. De stad werd daarmee beheerder van de kerkfabriek, eigenaar van kerk en orgel, en werkgever van de organist. Onderhoud van het orgel en eventuele orgelnieuwbouw kwamen eveneens voor rekening van de stad. De overheid gaf vervolgens de kerkgebouwen in gebruik aan de Hervormde Kerk voor haar eredienst. De reformatie verdreef wel de katholieke priesters uit de kerk, maar vaak niet de eveneens katholieke organist. Deze bleef dan gewoon op zijn plaats zitten. Voorbeelden zijn Cornelis Schuyt in Leiden, Pieter de Vois in Den Haag en de beroemde Jan Pieterszoon Sweelinck in Amsterdam. |


Daarvoor moeten we zo’n vierhonderd jaar teruggaan in onze vaderlandse geschiedenis, naar het gewest Holland, vanaf de 17de eeuw één van de meest verstedelijkte gebieden van Europa. Haar zes 'grote steden': Amsterdam, Haarlem, Leiden, Delft, Rotterdam, Dordrecht én Den Haag (formeel geen stad) kenden een goed ontwikkelde muziekcultuur: een organisten-stand, speellieden, vrije musici, muziekcolleges, toneel- en operavoorstellingen, muziekdrukkers, muziekuitgevers, muziekverkopers en instrumentenbouwers.
In de zeventiende eeuw was de stad een belangrijke werkgever voor verschillende soorten muzikale werknemers. Een bewaard gebleven ambtenboek van de stad Amsterdam over de jaren 1664-1667 bijvoor- beeld vermeldt de volgende vier categorieën van stedelijke musici in vaste dienst: organisten, beiaardiers, speellieden en trompetters. De stad had niet alleen deze musici in dienst, maar was doorgaans ook eigenaar van de instrumenten die zij bespeelden, zowel van de vast geplaatste ('onroerende') orgels en beiaarden als van de meeneembare ('roerende') instrumenten van speellieden en trompetters.
De organist van de hoofdkerk werd beschouwd als de belangrijkste musicus van de stad in kwestie. Hij was dikwijls als adviseur betrokken bij het stedelijk muziekcollege en werkzaam als muziekleraar van de meest notabele amateurmusici in de stad.